Solidariteit volgens het CDA

Het plan van het CDA om tot een collectieve “Ziektewet” voor zzp’ers te komen, lijkt sympathiek. Maar als Trouw vandaag de woorden van de heer Heerma goed weergeeft, word ik er beslist niet vrolijk van.

In de afgelopen jaren zijn veel mensen door de tegenvallende economie en door bezuinigingen zonder baan geraakt. Bezuinigingen met instemming van het CDA “omdat het huishoudboekje op orde moet.” Vaak ging het om oudere medewerkers in de bouw of in de zorg. Hun kans op een nieuw arbeidscontract is vrijwel nihil en zo missen ze ook een flink stuk van hun pensioenopbouw.

Een aantal van hen zag kans om als zzp’er werk te vinden: waarschijnlijk horen die tot de ongeveer 450.00 zzp’ers (de helft van het totaal) die niet hoog zijn opgeleid en minder verdienen dan € 25.000,- per jaar. Dan is verzekeren te duur.

En nu bestaat Heerma het om over die mensen te zeggen: “dat uitholling dreigt van collectieve voorzieningen als steeds meer mensen zzp’er worden en niet meer bereid zijn om gezamenlijk risico’s te dragen.” Dat begrijp ik: het is een grof schandaal dat mensen die zijn ontslagen, die net hun hoofd boven water houden, niet bijdragen aan de collectieve voorzieningen voor wie nog een vast contract hebben.

Bekendmaking van gemeenschappelijke regelingen

Op 1 januari 2015 treden enkele wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen in werking die betrekking hebben op bekendmakingen. Gemeenschappelijke regelingen worden ook wel regionale samenwerkingsverbanden genoemd. In dit commentaar beperk ik mij even tot gemeenschappelijke regelingen van gemeenten. Voor samenwerkingsverbanden van andere overheden zijn in de wet soortgelijke bepalingen opgenomen.

Het gaat om twee onderwerpen:

  1. het bekendmaken van nieuwe gemeenschappelijke regelingen en
  2. het bekendmaken van besluiten die door gemeenschappelijke regelingen worden genomen

1. Het aangaan van een nieuwe regeling

Wanneer gemeenten een nieuwe regeling aangaan, zal vanaf 1 januari 2015 de gemeente die in de regeling is aangewezen (of anders de gemeente van vestiging) de tekst van de regeling bekend moeten maken in de Staatscourant. Zie artikel 26 Wet gemeenschappelijke regelingen.

Het genoemde artikel regelt ook dat die gemeente zorgt voor een geconsolideerde versie van de regeling in de CVDR.

Wijzigingen worden op de zelfde manier bekendgemaakt en geconsolideerd.

2. Besluiten genomen door gemeenschappelijke regelingen

Gemeenschappelijke regelingen hebben soms de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) vast te stellen. Volgens artikel 32k Wet gemeenschappelijke regelingen worden die voorschriften bekendgemaakt in de bladen van de aangesloten gemeenten. Een andere mogelijkheid is dat een gemeenschappelijke regeling een eigen publicatieblad uitgeeft. Daarin kunnen dan de besluiten van die regeling bekendgemaakt worden.

Het moet dan wel gaan om besluiten op grond van een gedelegeerde bevoegdheid. Dat betekent dat besluiten op grond van gemandateerde bevoegdheden in het blad van de aangesloten gemeente gepubliceerd moeten worden.

Lege raadsbesluiten zijn niet zinvol

In toenemende mate zie ik dat bij elk onderdeel van de raadsagenda een ontwerpbesluit wordt gevoegd. Voor zover dat bedoeld is om richting te geven aan de discussie, is dat mogelijk praktisch. Het lijkt er echter op dat de medewerkers van de griffie (of hun opdrachtgevers) niet altijd in de gaten hebben dat de VNG-modellen voor verordeningen al de vorm van een besluit hebben. Zij voegen dan bij de agenda een besluit tot vaststelling van de ontwerp-verordening.

Het volgen van het VNG-model is handig, omdat daarin een aantal essentiële wetstechnische gegevens, zoals de wettelijke grondslag en de datum van vaststelling is opgenomen. Is de verordening eenmaal vastgesteld, dan is er een document waarin die gegevens al staan, dat in zijn geheel in het gemeenteblad en in de CVDR kan worden opgenomen.

Het nadeel van een afzonderlijk vaststellingsbesluit voor het algemeen verbindend voorschrift is dat daardoor onzeker wordt wat het algemeen verbindend voorschrift is. Is dat het vaststellingsbesluit (waar dan uiteraard de verordening als bijlage een onverbrekelijk deel van uitmaakt) of is dat de verordening zelf? En dat heeft weer gevolgen voor de publicatie in het gemeenteblad. Publiceren we het raadsbesluit met de verordening in de bijlage (let op! tekst niet als losse bijlage, maar opnemen in het document)? En als we de tekst beschikbaar stellen in de CVDR? Publiceren we dan het raadsbesluit als een regeling waarin we de verordening vermelden als een binnenregeling, die in een ander document wordt opgenomen?

Kortom: vanuit het oogpunt van publiceren is zo’n apart vaststellingsbesluit niet erg praktisch. Ik kan mij niet voorstellen wat zo’n besluit oplevert voor de discussie of de besluitvorming in de raad. Vandaar mijn stelling: Lege raadsbesluiten zijn niet zinvol.

Laatste bolwerk van de participatiesamenleving geslecht

Staatssecretaris Dekker heeft zijn plannen met de publieke omroep bekendgemaakt. Kort gezegd komt het erop neer dat het straks niet meer uitmaakt hoe veel leden een omroepvereniging heeft en dat de NPO uitmaakt wat er uitgezonden wordt. Trouw schrijft vandaag dat dit de verwachte afronding van een proces is. Daarmee is het laatste bolwerk van de participatiesamenleving geslecht. Dat is althans mijn gevoel.

Ooit waren er mensen die voor hun medemens een ziekenhuis begonnen, of een school voor hun kinderen, een woningbouwvereniging of een omroep. Dat deden ze zelf, in hun eigen tijd en van hun eigen geld. Toen kwamen er politici, die zei dat dat zo’n goed idee was dat daar wel een bijdrage tegenover kon staan. En ze lieten de mensen meer belasting betalen om subsidie te kunnen geven. Maar als iets uit de algemene middelen wordt betaald, moet de politiek wel kunnen meekijken. En er kwamen normen voor de kwaliteit en als instellingen niet groot genoeg waren om die te halen, moesten ze maar samengaan. Zo werden de instellingen zo groot, dat ze niet langer door gewone mensen bestuurd konden worden. De politici hadden al gauw door dat zij dat niet zelf moest gaan doen, want er kon natuurlijk ook wel eens wat misgaan. Er kwamen beroepsbestuurders, die aan niemand meer iets hoefden uit te leggen. Dat noemden ze “op afstand zetten”. Als de bestuurders het te gek maakten, deden politici een heel gewichtig onderzoek. En dan gingen ze gauw weer wat anders doen.

Toen hadden de mensen dus niets meer te zeggen over het idee dat ze zelf ooit hadden. En daarom hadden ze niet zo veel zin meer om er hard voor te werken. Politici begrepen het niet: zo werd het allemaal veel te duur. Het werd tijd dat de burgers eindelijk zelf eens iets gingen doen. Participatiesamenleving noemden ze dat.

Bekendmaken van beheersverordeningen

Uitspraak

Op 6 augustus deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak waarin onder andere aan de orde kwam op welke wijze een beheersverordening bekendgemaakt moet worden.

Een beheersverordening is een algemeen verbindend voorschrift, dat op grond van artikel 1.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op www.ruimtelijke plannen.nl beschikbaar gesteld moet worden. Artikel 1.2.3 van het Bro bepaalt dat zo’n verordening elektronisch vastgesteld moet worden. Het besluit (of de Wet ruimtelijke ordening) bepaalt echter niet hoe een verordening bekendgemaakt moet worden. Daarvoor gelden daarom de algemene regels voor algemeen verbindende voorschriften van artikel 139 van de Gemeentewet.

In casu had de gemeente Zundert de beheersverordening Buitengebied Rijsbergen bekendgemaakt in de Staatscourant en op de gemeentelijke website en beschikbaar gesteld op www.ruimtelijke plannen.nl. Op de laatste website was de volledige tekst van de verordening te vinden. De Afdeling is van oordeel dat – nu bekendmaking van een algemeen verbindend voorschrift in een elektronisch uitgegeven gemeenteblad kan plaatsvinden – met deze wijze van bekendmaking is voldaan aan de bedoeling van artikel 139 van de Gemeentewet.

Wet is gewijzigd

Er valt wel iets te zeggen over de overwegingen van de Afdeling. Wat mij betreft had het onderscheid tussen bekendmaken en beschikbaar stellen wel iets verder toegelicht mogen worden. Voor de praktijk lijkt mij echter belangrijk dat de bedoelde overweging (r.o. 3.2) begint met de vaststelling dat Zundert geen gemeenteblad uitgeeft. Dat is sinds 1 januari van dit jaar anders: nu schrijft de Gemeentewet voor dat elke gemeente een (langs elektronische weg uitgegeven) gemeenteblad moet hebben.

Daarmee lijkt de waarde van deze uitspraak vooral dat nu vaststaat dat voor de bekendmaking van beheersverordeningen inderdaad de regels van artikel 139 van de Gemeentewet van toepassing zijn. En die regels zeggen sinds 1 januari dat bekendmaking geschiedt door opname van de tekst van de regeling in een gemeenteblad.

De praktijk

Samengevat geldt dus voor beheersverordeningen dat zij:

  • elektronisch vastgesteld moeten worden (artikel 1.2.3 Bro)
  • beschikbaar gesteld moeten worden op www.ruimtelijke plannen.nl (artikel 1.2.1 Bro)
  • bekendgemaakt moeten worden door het opnemen van de tekst in het gemeenteblad (artikel 139 Gemeentewet) en
  • (nog niet genoemd) beschikbaar moeten worden gesteld in de CVDR (artikel 140 Gemeentewet)

In de praktijk geeft het plaatsen van deze verordeningen in de CVDR of in het elektronisch gemeenteblad door hun aard en omvang nog wel eens problemen. Dat kan door een slimme samenstelling worden opgelost. De tekst van de verordening (die nu vaak als een bijlage ergens in het document verstopt zit) moet als hoofdtekst worden opgemaakt en al het kaart- en eventueel fotomateriaal wordt dan als bijlage geformuleerd. Volgens artikel 139 van de Gemeentewet hoeven de bijlagen niet elektronisch bekendgemaakt te worden, mits de verordening dat wel zelf bepaalt (artikel 139, derde lid).

Voor de opname in de CVDR durf ik vol te houden dat in dat geval de bijlagen kunnen worden aangemerkt als bijlagen die zich door hun aard niet lenen voor elektronische beschikbaarstelling (artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, Besluit bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden). Weliswaar moeten die bijlagen elektronisch op www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gesteld worden, maar die bijlagen lijken niet zo geschikt voor opneming in de CVDR. En als in de in de CVDR beschikbaar gestelde tekst een IMRO-nummer wordt opgenomen, is toch aan de bedoeling van artikel 140 van de Gemeentewet voldaan: er is op eenvoudige wijze een geconsolideerde tekst van de regeling te raadplegen.

Toch een publicatieblad voor regio’s

Deze week was er goed nieuws voor de regionale samenwerkingsverbanden (gemeenschappelijke regelingen). Sommige regio’s hebben de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften (verordeningen) vast te stellen. Op dit moment is niet helemaal zeker hoe zij die verordeningen moeten bekendmaken. Gemeenten zetten hun verordeningen sinds 1 januari in een elektronisch gemeenteblad. Dat doen zij vanwege een wijziging van de Gemeentewet (artikel 139). Op regio’s is voor het bekendmaken de Gemeentewet ook van toepassing, maar voor hen is de tekst van die wet bevroren per 6 maart 2002. Voor hen dus nog geen elektronische bekendmaking, lijkt mij.

Bij het parlement is een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen aanhangig (Kamerstuk 33 597). Volgens het wetsontwerp hoeven we niet meer in de Gemeentewet te kijken als we willen weten hoe regio’s verordeningen bekend moeten maken. Die manier van bekendmaken wordt uitgeschreven in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Tot nu toe regelde het wetsontwerp dat regio’s verordeningen bekend moesten maken door die te plaatsen in de gemeentebladen van alle aangesloten gemeenten. Dat zou voor grote regio’s met veel aangesloten gemeenten erg onhandig geweest zijn. En het had grote risico’s gegeven, bijvoorbeeld dat een gemeente zou vergeten om een verordening bekend te maken of de verkeerde tekst zou plaatsen.

Deze week verscheen de Vierde Nota van Wijzigingen op het wetsontwerp. In een nieuw artikel 32ja van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt nu opgenomen dat regio’s nu ook zelf een publicatieblad kunnen uitgeven. Dat kan alleen een elektronisch publicatieblad zijn, uitgegeven via de Gemeenschappelijke Voorziening voor Officiële Publicaties (GVOP). De Minister van BZK zal nog nadere regels opstellen.

Het Bureau Wetgeving van de Tweede Kamer verzorgt bijgewerkte teksten van wetsontwerpen die worden behandeld. De zogeheten “bijtekst” van Kamerstuk 33 597 staat op de pagina Regelgeving van mijn website.

Versoepeling arbeidsmarkt niet doeltreffend

Volgens het Lenteakkoord moet de ontslagbescherming versoepeld worden. Daarmee schiet de coalitie doeltreffend in eigen voet. Waarom?

Het grootste probleem in de Nederlandse economie is op het moment het verminderde consumentenvertrouwen. Dat is de belangrijkste reden waarom ons land zo veel minder presteert als vergelijkbare landen als Duitsland en België. Het is goed mogelijk dat dit te maken heeft met de arbeidsmarkt.

Nieuwe banen

Laat ik mijn positie uitleggen. Nadat ik 25 jaar ambtenaar ben geweest, wilde ik bij een andere overheidsinstantie (!) aan de slag. Maar nergens worden nog vaste contracten aangeboden. Toch heb ik het erop gewaagd en ik heb heel leuk werk. Wat ik alleen niet heb is zekerheid: bij ontslag krijg ik alleen nog WW en bij een bovenmodaal inkomen is dat aanzienlijk minder dan 70% van het laatstverdiende inkomen. Ik denk dus dat als ik vandaag een hypotheek moest afsluiten, de bank daar geen enkel vertrouwen in zou hebben. En ik ben voorzichtig met grote uitgaven.

Nieuwe toetreders

In die zin verkeer ik dus op enkele punten in dezelfde positie als de jongeren die op dit moment willen toetreden tot de arbeidsmarkt. In het afgelopen jaar zijn er maar 2.000 vaste contracten vergeven. Zoals we in Trouw lazen, nemen ze blijmoedig genoegen met het ontbreken van zekerheid. Een hypotheek zit er alleen niet in en grote uitgaven al helemaal niet.

Huidige contracten

Wat levert die verminderde ontslagbescherming nu eigenlijk op? Volgens Marius Winter (in Tros Nieuwsshow van zaterdag 12 mei) heel erg weinig. De gedachte achter die “versoepeling” is mogelijk” easy to fire = easy to hire, ofwel als werkgevers niet aan personeel vast zitten, zullen ze eerder mensen aannemen. Maar het is al reuze simpel om mensen te ontslaan: iedereen die van baan verandert of een nieuwe baan wil, krijgt hoogstens een jaarcontract. En na dat jaar hoef je geen reden op te geven voor ontslag. In het ambtenarenrecht (!) kan dat zelfs zonder al te veel moeite tussentijds.

De voorgestelde versoepeling van de ontslagbescherming is, dat iemand die ontslag krijgt, zelf maar naar de kantonrechter moet gaan als hij meent dat dat niet terecht was. Verder dalen de huidige ontslagvergoedingen met 75%.

De samenvatting lijkt dus: niet alleen bepaalde groepen, maar ook mensen met een “vaste” aanstelling moeten zich zorgen maken over de toekomst. En daarmee schiet de coalitie zich in eigen voet. Want in plaats van een soepeler werkende arbeidsmarkt creëert zij een stagnerende vraag naar producten.

Werkgevers

Dit wordt veroorzaakt door een foutje in de (neo-)liberale economische theorie. U kent haar wel: die van het welbegrepen eigenbelang. Elke bakker zal vanwege dat principe het allerbeste brood bakken tegen een zo gunstig mogelijke prijs. Zo zorgt de concurrentie voor de gunstigste voorwaarden voor consumenten en bakkers. Helaas is het collectieve belang toch iets anders als de optelsom van individuele belangen.

Laten we eens kijken naar de aannemerij. Ik kan mij voorstellen dat de gemiddelde aannemer verguld is met de versoepeling van het ontslagrecht. Sterker nog: aannemers spelen al lang in op de veranderingen op de arbeidsmarkt. Heel veel bouwvakkers hebben tijdelijke contracten of werken als ZZP’er. Geweldig nieuws voor de aannemer, want met die flexibele arbeidsmarkt kan hij de beste kwaliteit huizen bouwen tegen de laagste prijs. Wat dan weer jammer is, is dat door die flexibele arbeidsmarkt geen enkele bank nog een hypotheek geeft en er dus geen huis meer verkocht wordt.

Conclusie

De wal begint het schip dus te keren. Alleen kun je van de individuele aannemer niet verwachten dat hij (als enige) wel vaste contracten aanbiedt. Dat zal dus collectief geregeld moeten worden. Hopelijk gaan de plannen van de coalitie niet door: ze doen meer kwaad dan goed. Maar misschien moeten we de zekerheid voor werknemers zelfs wel verbeteren. Dat is, zoals uit het voorbeeld blijkt, ook heel goed voor het bedrijfsleven. Dat vraagt wijsheid van de politici en – denk ik – druk van een sterke vakbeweging. Moeten mijn jongere collega’s wel lid worden, want collectieve belangen kun je nu eenmaal niet individueel behartigen.

Waakhond

Het CBP vindt dat we geen beelden op het internet moeten zetten van een in ons bedrijf of huis gepleegde inbraak. Daar zijn veel reacties op. De teneur is dat men het onbegrijpelijk vindt dat de privacy van de inbreker zwaarder lijkt te wegen dan het belang van degene wiens privacy zojuist op flagrante wijze door hem werd geschonden. Het CBP vindt het plaatsen van beelden toch te veel lijken op eigenrichting: het zonder tussenkomst van de overheid zelf halen van genoegdoening. Bovendien zouden de beelden van “verdachten” ten onrechte criminaliserenNu zijn er best juristen die vinden dat er geen enkel bezwaar tegen bestaat als je je fiets van de dief terugpakt. Zo lang je de dief maar geen lichamelijk letsel toebrengt. De overheid is nu eenmaal niet overal tegelijk. Mag ik daarom (met een knipoog) de volgende suggestie doen?

Plaats bij de camera in je winkel een bordje met de tekst “Ruimte met camera beveiligd. Wie de ruimte buiten de openingstijden betreedt, verleent toestemming voor het doorgeven van de beelden op het internet.” Bij de beelden op het internet hoort een tekst als “U ziet hier beelden van mensen die onze kluis leeghalen. Wij vonden dat heel vervelend, maar mogelijk hadden zij er een goede reden voor. Help ons met deze mensen in contact te komen voor een gesprek dat tot meer begrip leidt.”

Moeten ambtenaren gewone werknemers worden? (mei 2011)

In Binnenlands Bestuur van 29 april staat in een interview met prof. Roel Bekker dat die niets heeft met het eigene van de overheid. Volgens hem zijn er te veel functionarissen met een ambtelijke status. Het belangrijkste bezwaar daarvan is naar zijn oordeel dat er door de verschillende systemen te weinig mensen de overstap tussen overheid en bedrijfsleven maken. Daarbij zou overigens ook de beloningssystematiek, met name aan de top, bij de overheid te weinig flexibel zijn.

Uit het interview wordt niet duidelijk of de heer Bekker kennis heeft genomen van het advies van de Raad van State over het initiatiefvoorstel van Koser Kaya en Van Hijum. Het advies (en de samenvatting)  staat op de website van de Raad van State. De reactie van de indieners is via die pagina ook te raadplegen.

Iedereen (zowel de Raad van State, prof. Bekker, als de indieners) is het erover eens dat het niet zo is dat de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren (in de zin van beloning of ontslagvergoeding) niet heel veel gunstiger zijn dan die in het bedrijfsleven. Aan de top zijn die voorwaarden zelfs minder gunstig.

De Raad van State ziet redenen om de ambtelijke status te handhaven. De overheid heeft het geweldsmonopolie en zij kan haar minder winstgevende “bedrijfsactiviteiten” niet zo maar beëindigen. De ambtelijke rechtspositie betekent dat de overheid eenzijdig arbeidsvoorwaarden en opdrachten kan opleggen. Daar staat een bescherming tegen die besluiten tegenover. Verder zijn alle verschillen (bijvoorbeeld lange ontslagprocedures) geen gevolg van de wettelijke verschillen, maar van de manier waarop met die procedures wordt omgegaan.

De belangrijkste kritiek van de Raad is dat niet duidelijk is wat de indieners met “normalisatie” bedoelen. Een aantal door de Raad uitgesproken vermoedens wordt door de indieners uitdrukkelijk tegengesproken. Uiteindelijk blijft dus over dat de indieners er bezwaar tegen hebben dat bij arbeidsverhoudingen naast een privaatrechtelijke ook bestuursrechtelijke variant bestaat.

Daar zijn twee dingen van te zeggen. Allereerst bestaat de mogelijkheid dat de omzetting van de ambtelijke status in privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten veel meer gaat kosten dan het oplevert: volgens een rapport van SEO Economisch Onderzoek en Regioplan kost de “harmonisatie” tussen de € 76 en € 245 miljoen. De baten liggen tussen de € 5 en de € 7,6 miljoen per jaar. De terugverdientijd is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk een jaar of 23.

Het tweede punt is dat alleen het naast elkaar bestaan van twee systemen op zich geen reden voor zulke uitgaven kan zijn. Of gaan we straks naar angelsaksisch model het openbaar ministerie vervangen door advocaten die voor de samenleving optreden? En vergunningen door overeenkomsten?

Moeten ambtenaren gewone werknemers worden?

CDA-Kamerlid Eddy van Hijum en zijn D66-collega Fatma Koser Kaya willen dat ambtenaren (behalve rechters en militairen) gewone werknemers worden. Dat zou de flexibiliteit van de overheid bevorderen. Zij zijn met hun voorstel minstens voorbarig, blijkt uit een brief van de SCO (niet meer beschikbaar). De brief van de SCO lijkt mij een prima uitgangspunt. Het zou de minister sieren als hij op korte termijn aangeeft wat hij van de procedurele kant van de reactie vindt.

Inhoudelijk zou ik graag toevoegen dat een stevige ambtelijke rechtspositie een vereiste is voor het goed functioneren van de democratie (denk aan Weber). Een ambtenaar die al te gemakkelijk ontslagen kan worden, kan de politieke leiding niet langer kritisch adviseren. In niet te verwaarlozen aantallen gevallen is het goed als bestuurders op (bijvoorbeeld) het bestaan van grondrechten gewezen worden. En bij de behandeling van klachten en bezwaren is het goed wanneer iemand het voor de burger durft op te nemen.

In de tweede plaats (we zien dat momenteel aan de collega’s nota bene bij defensie) is de ambtenaar voor zijn positie meer dan een gewone werknemer afhankelijk van de wensen van de “werkgever”. Een autofabrikant moet voor een ontslag aantonen dat er helaas onvoldoende auto’s worden verkocht om mensen aan het werk te houden. In het openbaar bestuur lijkt langzamerhand het verleggen van prioriteiten al voldoende reden voor ontslag.

De toenemende onzekerheid voor ambtenaren leidt ertoe dat steeds meer hoger opgeleiden zich als consultant aanbieden. De werkzekerheid is vergelijkbaar en zij hebben dan tenminste de kans om een buffer op te bouwen. Niet alleen wordt de overheid daar niet goedkoper van, het betekent ook dat er meer mensen voor de overheid gaan werken die begrijpelijkerwijs niet in de eerste plaats letten op het publieke belang, maar op de mogelijkheid van een vervolgopdracht.

juridisch advies decentrale overheid